|
C o l u m n v a n P a u l i n e
“Goh, Pauline. Hoeveel kaarsjes stook jij eigenlijk per dag?” vroeg mijn schuinoverbuurvrouw mij tijdens de
verjaardag van Jan, terwijl haar licht argwanende blik bleef steken op het boekenrek vol dansende waxinelichtjes in allemaal verschillend
gekleurde potjes en glaasjes.
“Mwah,” zei ik, “valt wel mee.”
Maar eerlijk gezegd valt dat helemaal niet mee. Het antwoord had moeten zijn: “Veel. Niet elke dag zo veel als op
een feestdag als nu, maar toch. De Bolsius kaarsenfabriek zal beslist geen last hebben van de crisis.”
Waar komt dat vandaan, die enorme hang naar vlammetjes en lichtjes ’s avonds in ons huis? Daar heb ik sinds die
vraag van Jelly over nagedacht, en ik geloof dat ik het eindelijk weet: het is ter compensatie van het gemis van alle lichtjes in
Rotterdam. Hier in Friesland zijn de nachten zo donker.
Ergens halverwege de afgelopen decembermaand, toen ik tijdens de drukke avondspits in onze provinciale hoofdstad
dapper pogingen ondernam om mijn Opel Combo tussen volledig ontwrichte verkeerstromen over alweer een nieuwe rotonde gewurmd te krijgen,
werd ik ineens overvallen door een onmiskenbaar gevoel van diepe weemoed. Weemoed over alles wat was en nooit meer terug komt. En over
alles wat was en heel af en toe toch ineens terugkomt. Zoals op dat moment gebeurde.
In Rotterdam beginnen de feestdagen van december al rond half september, ongeveer een maand voordat Sinterklaas
met zijn stoomboot arriveert in de Leuvehaven en bij het Maritiem Museum voet aan wal zet. De talloze lampjes in de door duiven
volgepoepte bomen aan weerszijden van de Coolsingel worden in de vroege herfst al ontstoken, om vervolgens dag en nacht te blijven
branden. Niet lang daarna volgen de eerste uitgestoken stafverlichtingen boven de winkels, en voor je ’t weet hangt er alweer een touw
tussen het dak en de hoogste vijf verdiepingen van de Vroom en Dreesman aan ‘t eind van de
Koopgoot, waarlangs een Zwarte Piet met een zak op zijn rug voortdurend op en neer gaat.
Kennelijk hevig geïnspireerd door al dit feeërieke vertoon, brengen de eerste omwonenden nog in diezelfde week
versieringen aan op hun eigen balkonnetjes, wat zich in korte tijd als een soort lampjesvirus uitbreidt tot en met de laatste flats in de
verste buitenwijken. En nee, dat versieren stopt niet bij het aanbrengen van wat lichtjes of kerststerren.
Rotterdammers gedragen zich het hele jaar door zo normaal als maar kan, maar in die laatste paar maanden gaan ze
massaal en volledig uit hun plaat. Waar men 20 jaar geleden nog genoegen nam met een eenvoudig kaarsentrapje voor het raam, branden nu
knipperende kerstbomen in alle mogelijke en onmogelijke kleuren. Flitsende nepsneeuwpoppen en lichtsnoeren, hele arrensleeën met Kerstman,
engelen en een kudde rendieren en al. Het commerciële centrum van Lourdes is er niets bij.
Hoe klein de buitenruimte ook is, geen vierkante centimeter blijft onbenut. En vaak wordt het hele circus nog eens
extra omrand met meterslange, psychotisch knipperende lichtslangen. Een blinde mol met een matglazen zonnebril zou er zelfs op een
kilometer diepte nog pijn in z’n ogen van krijgen. Rotterdammers niet. Rotterdammers vinden dat prachtig.
Die avond op die rotonde in Leeuwarden, toen ik het raampje van de auto opendraaide om het laatste stukje sigaar
naar buiten te gooien, viel mijn blik ineens op iets gekleurds in de verte. De knipperende lampjes en de flikkerende Kerstman met elanden
waren simpelweg niet te negeren. En daar was ‘t. Het priemde zich een weg van mijn maag naar m’n hart: een steek van weemoed. Een
Rotterdams decemberbalkonnetje in Friesland.
Hebben Emma en ik ons balkon vroeger ook zo versierd? Nee, geen denken aan. Ik zou gestoord worden van dat
geknipper. Maar gek genoeg mis ik het wel, al die overdaad van lichtjes om me heen. Als ik in
deze donkere dagen Exmorra binnen rijd, vult mijn stadshart zich met warmte. Zo mooi, al die lampjes. En het is ook echt mooi. Veel
stijlvoller dan die belachelijk knipperende kleuren in de stad. Bomen en struiken met witte lichtjes, wat ijspegelverlichting hier en
daar: prachtig. Kon het maar altijd Kerstmis zijn.
Dit jaar heb ik, naast de ijspegelverlichting in onze serre, voor het eerst van m’n leven een lichtslang
aangeschaft. Nee, we hebben ‘m niet gebruikt, omdat ik eenvoudigweg nog geen tijd heb gehad om uit te vogelen hoe je zoiets eigenlijk vast
moet maken en buiten aansluit. Maar de kans is groot dat ‘ie volgend jaar om deze tijd trots in of om een van onze bomen hangt. Wees
gerust, vooralsnog blijft het bij witte lampjes. Alleen onze kerstboom is voorzien van 300 gekleurde lichtjes: het enige stuk Kerstmis dat
onze stadse achtergrond verraadt. Nou ja, dat en al die waxinelichtjes dus.
Garanderen dat het bij die ene lichtslang zal blijven, kan ik niet. Als het gemis aan stadsbalkonnetjes blijft
toenemen, kan het best zijn dat binnen nu en vijf jaar onze boerderij vol staat met rendieren en Kerstmannen. In alle mogelijke en
onmogelijke knipperende kleuren die je maar kunt bedenken.
Zeg niet dat ik het niet gezegd heb.
|